Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR2766

Datum uitspraak2004-09-24
Datum gepubliceerd2004-09-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/5449 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering tot verhoging WAO-uitkering. Besluit berust op deugdelijke medische grondslag en de voorgehouden functies dienen als passend beschouwd te worden.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 02/5449 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante is op de daartoe bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 september 2002, nummer AWB 01/1453 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 augustus 2004, waar appellante – met kennisgeving – niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door E.W. Huiskamp, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING Appellante is op 8 september 1994 arbeidsongeschikt geworden voor haar werk als operator in drieploegendienst bij Du Pont de Nemours Nederland B.V. te Kerkrade wegens stem- en slikproblemen, alsmede psychische klachten. In verband hiermee heeft gedaagde haar met ingang van 7 september 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Daarnaast ontving zij een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW). Op 14 februari 2000 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens handklachten. Ter beoordeling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid is zij op 29 november 2000 onderzocht door de verzekeringsarts J. Bemelmans, die een belastbaarheidsprofiel opstelde. Met de daarin vermelde medische beperkingen als uitgangspunt selecteerde de arbeidsdeskundige M. Canisius voor appellante de functies printplatenmonteur, samensteller metaalproducten, wikkelaar, verkoopster kleding, matrassenstikker/taper en chauffeur bestelauto. In die functies kon appellante een zodanig inkomen verwerven, dat het verlies aan verdienvermogen ten opzichte van het maatmaninkomen 16,6% bedroeg. Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 16 maart 2001 geweigerd de WAO-uitkering van appellante te verhogen, omdat zij per 12 februari 2001 onveranderd 15 tot 25% arbeidsongeschikt is. Namens appellante is tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Nadat op 28 augustus 2001 een hoorzitting was gehouden, heeft de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker in een rapportage van 3 september 2001 aangegeven dat er geen medische argumenten zijn om van het oordeel van verzekeringsarts Bemelmans af te wijken. Bij beslissing op bezwaar van 26 september 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde appellantes bezwaar tegen het besluit van 16 maart 2001 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten, overwegende dat op grond van de beschikbare medische gegevens moet worden geoordeeld dat het besluit op een deugdelijke medische grondslag berust en dat de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies als passend beschouwd dienen te worden. Namens appellante is in hoger beroep gesteld dat haar belastbaarheid door gedaagde niet juist is vastgesteld, dat zij wegens haar medische klachten in het geheel niet in staat is arbeid te verrichten en dat bij het uitoefenen van arbeid sprake zal zijn van extreem hoog en daardoor onverantwoord ziekteverzuim. Gedaagde zou onvoldoende recente medische informatie bij de behandelende sector hebben ingewonnen en de verkregen informatie bij de totstandkoming van het besluit niet voldoende betrokken hebben, zodat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid in de zin van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De ernstige nekklachten die appellante ondervindt en waarvoor op foto’s van de behandelend specialist een objectieve verklaring is aangetoond, zouden door gedaagde niet bij de medische beoordeling zijn meegenomen. De Raad kan appellante in deze grief niet volgen. Blijkens het medisch onderzoeksverslag van 29 november 2000 beschikte verzekeringsarts Bemelmans over recente verklaringen van appellantes huisarts R.J.A.M. Kuipers en van haar behandelend reumatoloog dr. H.S. Goei The en was zij ervan op de hoogte dat appellante ten tijde van het onderzoek ergotherapie volgde in verband met haar handklachten. Uitgaande van de diagnosen fibromyalgie en arthrosis deformans ter plaatse van de handgewrichten, alsmede van de reeds langer bij appellante bestaande psychische klachten heeft de verzekeringsarts beperkingen aangegeven in het door haar opgestelde belastbaarheidsprofiel. Bezwaarverzekeringsarts Jonker heeft de in haar rapportage van 3 september 2001 vervatte conclusies mede gebaseerd op de door appellante zelf tijdens de hoorzitting van 28 augustus 2001 mondeling verstrekte informatie, onder meer inhoudende dat zij de reumatoloog éénmaal had bezocht en dat zij voor haar psychische klachten niet meer onder behandeling stond. Volgens de bezwaarverzekeringsarts kwamen de aard en ernst van appellantes problematiek uit de brieven van huisarts en reumatoloog duidelijk naar voren en was onderzoek door een extern specialist daarom niet nodig. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden staande gehouden dat het medisch onderzoek onvoldoende of onzorgvuldig is geweest en dat gedaagde, door de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts als uitgangspunt voor het bestreden besluit te nemen, in strijd is gekomen met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb. Met betrekking tot de door appellante genoemde nekklachten constateert de Raad dat die klachten niet zijn geadstrueerd met medisch-specialistische verklaringen. Voor de in dit geding ter beoordeling staande datum 12 februari 2001 kan de Raad aan die nekklachten – wat daarvan overigens zij - dan ook niet de betekenis toekennen die appellante eraan gehecht wil zien. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Beslist wordt mitsdien als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 september 2004. (get.) T.L. de Vries. (get.) J.J.B. van der Putten.